Hoe de vijandschap na 7 oktober ertoe leidde dat christenen als familie voor mij werden
Zoals ook gepubliceerd 30 september 2026 op Revive.nl


Er zijn dagen waarop ik mij afvraag hoeveel verder het nog kan gaan. Hoeveel normaler antisemitisme nog kan worden. Hoeveel grenzen er nog kunnen verschuiven. Want telkens wanneer ik denk: nu hebben we toch wel het dieptepunt bereikt, gebeurt er weer iets waarvan ik een paar jaar geleden niet had kunnen bedenken dat het in Nederland mogelijk zou zijn.
Maar er gebeurt sinds 7 oktober 2023 óók iets anders.
Terwijl de afstand tussen Joden en een deel van de samenleving groter lijkt te worden, komen andere mensen juist dichterbij. Mensen van wie ik vóór 7 oktober nooit had kunnen vermoeden welke rol ze in mijn leven zouden gaan spelen. Christenen.
In een periode waarin ik mij als Joodse vrouw soms vreemder voel in mijn eigen land, ontstaat tegelijkertijd een verbondenheid die ik daarvoor helemaal niet kende.
Complottheorieën
Het antisemitisme groeit. Eeuwenoude complottheorieën keren terug. Joden worden collectief verantwoordelijk gehouden voor gebeurtenissen duizenden kilometers verderop. Uitspraken die over iedere andere minderheid onacceptabel zouden zijn, lijken ineens bespreekbaar wanneer het over Joden gaat.
Soms voelt het heel eenvoudig: Alles wat niet mag, mag ineens wel als het over Joden gaat.
En het blijft allang niet meer op sociale media. Het staat op straat en komt ons dagelijks leven binnen. “Hamas, Hamas, Joden aan het gas.” “Kankerjood.” “Ze zijn vergeten jullie te vergassen.” We zien verheerlijking van Hamas, extremistische symboliek en dezelfde oude Jodenhaat die blijkbaar nooit werkelijk verdwenen is.
Een Davidster zichtbaar dragen is niet meer vanzelfsprekend. Joodse scholen hebben zware beveiliging nodig. We denken na over Hebreeuws spreken op straat en zelfs over een mezoeza aan de voordeur.
En onze kinderen leren iets wat ik nooit had willen doorgeven: wanneer het verstandiger is om niet zichtbaar Joods te zijn. Mijn eigen dochter doet haar Davidster af op school omdat het daar niet veilig is om hem te dragen.
Dit is geen geschiedenisles. Dit is ons leven in Nederland, nu. En juist midden in die werkelijkheid ontdek ik hoe diep de betrokkenheid van een grote groep christenen bij ons is.
Groep christenen
Eind november vorig jaar reisde ik door Israël met een groep van bijna veertig christenen. We waren met slechts twee Joodse deelnemers. We bezochten Kibboets Be’eri, stonden op de plek van het Nova-festival, zagen de verzamelde uitgebrande auto’s en hoorden verhalen die nauwelijks te bevatten zijn.
Maar wat mij misschien wel het meest is bijgebleven, zijn de mensen met wie ik daar stond. Mensen die niet alleen zeiden: “Wij staan achter Israël”, maar daadwerkelijk naast mij stonden.

Die reis veranderde iets in mij. En wat daar begon, ervaar ik nu steeds sterker.
Het voelt steeds minder als “wij” en “zij”. Sterker nog: er gebeurt iets wat ik zelf soms bijna bizar vind.
Zij nemen het voor mij op. En ik neem het voor hen op.
Wanneer Joden worden aangevallen, staan christenen naast ons. Wanneer christenen worden bespot, verdacht gemaakt of aangevallen omdat zij naast Israël en de Joodse gemeenschap staan, merk ik dat ík voor hen opsta. Misschien is dat wel wat familie doet.
We accepteren dit niet
En het blijft niet bij woorden. Een van de momenten waarop ik dat heel sterk ervaar, is tijdens Op de Bres voor Israël. Jacques Brunt zette dit initiatief na 7 oktober op en dit jaar vond de manifestatie voor de derde keer plaats op de Dam. Met bussen uit heel Nederland en zelfs uit België kwamen voornamelijk christenen, maar ook veel Joden, naar Amsterdam.
Hun boodschap was eenvoudig: dit accepteren we niet. We laten jullie niet alleen. We staan naast jullie.
We werden omringd door tegendemonstraties en vijandigheid, maar op de Dam zelf gebeurde iets totaal anders. Er was liefde, saamhorigheid en verbondenheid. Het voelde alsof Hashem ons daar, midden op de Dam, even liet ervaren dat we niet alleen stonden.
Dat ontroert en bemoedigt mij enorm. Die verbondenheid ervaar ik ook tijdens de solidariteitswandelingen. Ik spreek veel door het land en loop regelmatig mee. Daardoor kom ik in steden en dorpen waar ik soms niet eens wist dat vóór de Shoah een bloeiende Joodse gemeenschap bestond.
Je hoort over de gezinnen die er woonden, de synagoge, de winkels, de kinderen die er naar school gingen. Joods leven dat ooit vanzelfsprekend onderdeel was van zo’n plaats.
Vermoord
En dan hoor je hoeveel daarvan na de Shoah verdwenen is. Op sommige plaatsen keerde vrijwel niemand terug. Hele families waren vermoord. Voor sommige overlevenden was de leegte te groot om juist daar opnieuw een leven op te bouwen.
En juist op die plekken loop ik nu samen met voornamelijk christenen die zeggen: wij zien jullie, wij staan naast jullie en we willen dat jullie blijven. Ook organisaties als Christenen voor Israël krijgen ondertussen te maken met boycots, protesten en vijandigheid en gaan toch door.
En juist deze christenen krijgen soms het verwijt dat hun betrokkenheid bij Joden eigenlijk een verborgen theologisch motief heeft. Dat zij uiteindelijk zouden willen dat alle Joden naar Israël vertrekken.
Als Joodse vrouw die inmiddels intensief met deze mensen optrekt, herken ik dat beeld totaal niet.
Integendeel. Ze staan niet naast mij omdat ze willen dat ik vertrek. Ze staan naast mij omdat ze niet willen dat ik hoef te vertrekken. Dat verschil is essentieel. Mijn familie leeft vandaag mede doordat er tijdens de donkerste periode van onze geschiedenis mensen waren die opstonden. Die Joden hielpen, met gevaar voor hun eigen leven.
Buitengesloten
Ik vergelijk Nederland van vandaag niet met de wereld van toen. Maar dezelfde menselijke vraag blijft relevant: wat doe je wanneer je ziet dat een ander wordt buitengesloten?
Kijk je weg?
Of ga je ernaast staan?
Er wordt gezegd: eerst komt de zaterdag, daarna de zondag. Misschien begrijp ik die woorden nu beter dan ooit. We hebben elkaar nodig.
Het groeiende antisemitisme maakt mij meer dan bezorgd. Zeker wanneer ik naar mijn kinderen kijk. Maar tegelijkertijd voel ik mij minder alleen. Omdat er mensen zijn die meelopen. Die bellen. Die bidden. Die spreken wanneer anderen zwijgen.
En inmiddels doe ik hetzelfde voor hen. Waar ik vroeger christenen zag, zie ik nu vrienden. Bondgenoten. Familie. Zij staan op de bres voor ons. En wanneer het nodig is, sta ik op de bres voor hen. Wij hebben elkaar gevonden. En we laten elkaar niet meer los.



